cv

Opleiding
Stadsacademie Toegepaste Kunsten Maastricht – schilderen/ grafisch vormgeven.
Academie voor Beeldende Vorming Tilburg – tekenen M.O.
Kon. Academie v. Kunst & Vormgeving ’s-Hertogenbosch – plastisch vormen.

Exposities – een keuze
2016 ‘Beelden in Huizen’; Huizer Museum, Huizen
2012 ‘kunstenaar tussen kunstenaars’, Pieter Brueghel, Veghel
2009 ‘De Salon’, Museum Het Domein, Sittard
2008 ‘Een Engel!’ Grafisch Atelier ’s-Hertogenbosch
2008 galerie Priveekollektie te Maastricht
2007 galerie Priveekollektie te Heusden
2007 galerie Dom’Arte, Rucphen
2004 prijsvraag van Coothplein, Centrale Bibliotheek Breda
2003 ‘Beeldenstorm’, NBKS, Breda
2000 galerij Germinahof, Sterksel
1999 ‘De Oogst’; de Zaaijer, Amsterdam
1998 ‘Buitenste Binnen’, Pronkkamer Uden
1997 ‘Beelden aan de Vecht’, Maarssen
1997 ‘Tussen schip en wand’; de Zaaijer, Amsterdam
1995 ‘Tekens in de tuin’, Het Witte Kasteel, Loon o. Zand
1994 ‘Artchange’, Kulturwerk des BBK, Düsseldorf
1994 ‘Ruimte voor Beelden’, Bussum, 75 jaar NKvB

Opdrachten, aankopen – een keuze
2015 beeld voor gemeente Valkenswaard; realisatie 2016
2013 Schetsontwerp ‘Ons beeld v.d. Koning’; prov. Noord-Brabant
2013 Schetsontwerp beeld voor cultuurcluster Noordkade Veghel
2012 particulier Berlicum
2012 particulier Purmerend
2011 schetsontwerp voor beeld Nyrstar te Budel
2010 ‘Kleine archeologie’ voor particulier Waalre
2010 ‘HoogStam’, beeld voor atrium De Muzerije ’s-Hertogenbosch
2009 ‘Bronnenonderzoek’ voor particulier Tilburg
2008 schetsontwerp voor binnentuin gemeentehuis Baarle-Nassau (N.Br.)
2007 ‘Stemspleet’ voor particulier Aalburg
2005 schetsontwerp voor sculptuur op spoortunneldek gemeente Best
2004 plastiek voor Zinifex Budelzink te Budel
2002 ‘Kern’ voor gemeente Aa en Hunze (Dr.)
2001 plastiek in oplage voor Berkvens B.V. te Someren
1999 ‘Portaal’ voor gemeente Someren
1999 ‘Ent’ voor gemeente Huizen
1996 ‘Penthouses’ voor Focusproject te Uden
1995 ‘Tegenbeeld’, daksculptuur Nassaukade te Amsterdam
1994 ‘Hommage’ voor Stadsdeelkantoor Zeeburg te Amsterdam
1993 ‘Escalade’ voor Belastingdienst te Hengelo
1993 ‘Torenspel’ voor Burg. Coenenpark te Roosendaal
1992 ‘Puonela’ voor bedrijf te Eindhoven
1992 ‘Dragend midden’ voor particulier te Turnhout (B)
1991 ‘Trio’ voor W&R- bedrijven te ’s-Hertogenbosch

Overig
2006-2014 Lid adviescommissie beeldende kunst gemeente Valkenswaard
2009-2011 Lid adviescommissie Individuele Subsidies bkkcTilburg
2009/2010 Adviseur BVL ontwerpwedstrijd; project van provincie Noord-Brabant en bkkc
1999-2003 Lid adviescommissie “Noord-Brabantse Activiteitensubsidie” NBKS, Breda
1993-2003 Secretaris Nederlandse Kring van Beeldhouwers, afd. Zuid
2006-2014 docent Pieter Brueghel; beeldhouwen/boetseren, werken in staal, bronsgieten
1999-2016 docent De Muzerije; beeldhouwen/boetseren

over Kern

‘Kern’, een rondgang
Even schrap ik al mijn weten als ik naar het beeld kijk op het plein voor de glazen entreehal van het nieuwe stadhuis van Gieten. Het nodigt uit om naderbij te komen alsof ginds het verzamelpunt is voor een intensief gebruikt gebouw. Een enorme bronzen vorm met een eikenblad wuift me toe. Het beeld verandert langzaam van aanzicht als ik het nader en er dichtbij ga staan. De bronzen plak, waaruit het blad is weggesneden, leunt kwetsbaar tegen een stevige vorm, die lijkt op de essentie van een boom. Het lijkt of deze vormen elkaar hier op het juiste moment gevonden hebben. Het is alsof de kunstenaar de natuur onder een microscoop gelegd heeft, deze uit elkaar gehaald en weer opnieuw in elkaar gezet heeft. De monumentale boomstam voelt koud en korrelig aan maar oogt fluweelzacht in een warm roodbruin. Ik kijk nog eens omhoog naar de grillige contour van het eikenblad waaronder ik plaats heb genomen en denk te begrijpen hoe een bladluis zich voelt. De boomstam kan ik nu niet in zijn geheel overzien. In mijn blikveld bevindt zich de hoek waar de twee stalen wanden elkaar ontmoeten en waar ook het blad zijn steun vindt. Ik ga de roodbruine hoek om en word me bewust van de geplaveide cirkel waarop het beeld rust. Nu deze me niet meer omringt wordt de bronzen lijst weer blad en vult zich met groene omgeving. De ondersteunende boom wordt nu een geometrische vorm, een sokkel waar in andere tijden het eikenblad vanaf gevallen kan zijn. Ik loop vervolgens onder de “sokkel” door en zie het roodbruin boven mij van vorm veranderen. Het hoekige wordt nu rond en sensueel. Een contrast met de geometrie binnen één en dezelfde stalen vorm. Terwijl ik er verder omheen loop verdwijnt het transparante, getekende brons bijna helemaal achter de monumentale en massieve boom. De hoogte van 4,25 cm. verhindert dat. Soms vult het blad zich voor een deel met de stalen vorm en worden de twee één alsof het leunen en steunen samen komt. Dan weer lijkt het blad zich te willen losmaken van haar robuuste steunpilaar. Het is een voortdurend spel tussen twee elementen die elkaars tegenpolen lijken, maar elkaar nodig hebben om te kunnen existeren ten einde het spel met mij als toeschouwer te kunnen spelen.
Ik draai me nog eens om, om het geheel in me op te nemen. Het stadhuis speelt nu de hoofdrol in mijn vizier met het beeld op de centrale plek ervoor. Het valt op hoe harmonieus de architectuur en het beeld samenkomen. Ligt het aan de hellende daken in relatie tot het schuine leunen van het brons, ligt het aan de verwante bruine kleur van het cor-ten staal en de bakstenen, of aan het letterlijk open, transparante karakter van het beeld, zoals dat ook aanwezig is in de architectuur? Het blad en de boom, het gebouw en het beeld, het geheel in het landschap, ik zoom steeds verder uit en ervaar dat het één niet zonder het ander kan, dat er een harmonie ontstaat, een nieuwe ordening waar mijn ogen op blijven rusten vanwege dat enige moment van samenkomst tussen twee ogenschijnlijke opponenten, die voortdurend door een wisselend perspectief van betekenis lijken te veranderen.
De meeste beelden van Jos Willems bestaan uit twee vormen die in relatie tot elkaar gebracht worden en een spel met elkaar aangaan Die twee vormen hebben vaak ieder hun eigen materialiteit, zoals bijvoorbeeld cor-ten staal tegenover brons, en lijken tegengesteld in vorm; zoals rond en organisch tegenover hoekig en architectonisch. De beelden hebben een monumentale heldere uitstraling, waardoor zij een rustpunt vormen in de hectiek van de openbare ruimte. Zij lijken uitvergrote abstracte stillevens of tekens die diverse associaties op kunnen roepen vanuit de verschillende standpunten die men in kan nemen. Het lijkt of Willems in zoomt op een stukje zichtbare werkelijkheid, die afpelt tot een universele kern, en weer op uitvergrote schaal in elkaar zet zodat ook de toeschouwer kan inzoomen. Hoewel de beelden kunnen verwijzen naar een figuratieve werkelijkheid, verwijzen zij ook naar zichzelf in de nieuwe vorm die zij in de context van de openbare ruimte hebben gekregen.
Opmerkelijk is dat in Willems’ latere werk de ruimte in de vorm een meer bepalende rol gaat spelen zoals dat bij het beeld “Kern” het duidelijkst is. De omgeving maakt in dit geval het beeld af. Soms lijkt het negatief van de grillige bladvorm slechts als vorm zichtbaar. Het blad zelf, één van de hoofdrolspelers, is afwezig en wordt ruimte. Juist de afwezigheid van de vorm benadrukt haar aanwezigheid. De twee vormen in het beeld worden nu in staat gesteld volledig in elkaar op te gaan, door de ruimte van het afwezige blad. Misschien gaat het in dit geval niet meer om twee vormen die een dialoog met elkaar aangaan, maar is er een derde in het spel gekomen; die van de vorm in de vorm, het negatief wat positief wordt en andersom.
Monique Broekman

over Escalade

Escalade : een waaier van betekenissen

De mate waarin een kunstwerk verwijst naar meerdere zaken tegelijk kan een graadmeter zijn voor de kwaliteit ervan. Vooral bij kunstwerken, die functioneren in de openbare ruimte, is dit aspect van communicatie een belangrijk gegeven. Herkenning door een breed publiek is van cruciaal belang. De kunstenaar kan, zonder te vervallen in het louter figuratieve, aanzetten tot een actieve, associërende manier van kijken door een niveau van duidbaarheid na te streven, waarin verschuivingen van interpretaties kunnen optreden. Het beeld staat dan aan de oorsprong van een uitwaaierende reeks metaforen en fungeert daarbinnen steeds opnieuw als ijkpunt.

De sculptuur, die Jos Willems ontwierp voor het Belastinggebouw in Hengelo, bevat meerdere vormen van beeldspraak, die zich in close reading laten ontdekken. Het beeld bestaat uit twee delen -de rechtopstaande vorm van een E en de liggende vorm van een S- die zich tot elkaar verhouden als de twee polen van een oppositie. Die binaire structuur maakt een associatieve benadering mogelijk, waarin steeds nieuwe sets van contrasten gevonden kunnen worden. De sculptuur als geheel verschijnt daarbij als een identificeerbaar teken dat de plek waar het staat markeert. De titel ‘Escalade’ biedt als eerste een middel tot herkenning. De kunstenaar bedacht de titel tijdens het werkproces, nadat het ontwerp was voltooid. Escalade is een term uit de krijgskunde en het betekent bestorming van een vesting met stormladders.

De titel heeft zo betrekking op de plaats van het beeld direct onder de gevel van het kantoorgebouw. Verder staat de titel toe de rechtopstaande E-vorm te associëren met een ladder. De verbinding tussen titel en beeld kan echter ook letterlijk worden genomen als concrete poëzie, waarbij het beeld zich laat lezen als ‘opklimmende S’ en de S fonetisch is gespeld als ES. De staande E-vorm nodigt uit tot nog twee associaties die beide betrekking hebben op het aspect van de omgeving. De eerste is die van een vierkante haak of een accolade, beide samenvattingstekens, die als een mal een tekstfragment of een cijferreeks omvatten. Ze komen alleen voor als symmetrisch duo. Hier staat er echter maar één en het gemis van de pendant wordt eens te meer gecompenseerd door de ruimtezoekende positie van de ander. Het idee van richting wordt letterlijk gesuggereerd door de E-vorm te zien als een samengevoegde korrel en vizier. Vanuit het standpunt van de beschouwer, die zich bevindt in het gebied waar de E-vorm op mikt, neemt zij echter de vorm aan van een anker zoals het beeld daar ligt met zijn scherpe, donkere contouren voor het lichte scherm van de gevel van het gebouw. De voorwaarts gerichte E-vorm ontleent haar typering mede aan het contrast met de inerte, in zichzelf samengebalde vorm van de S waarop zij leunt. Als koppel vormen zij een eenheid ook al omdat ze samen een echo zijn van de proporties en verdelingen van het gebouw. De S is op het laagste punt van een menselijke maat terwijl ze op het hoogste punt gelijk is aan de vierkante module van het gebouw. De E is tweemaal zo hoog en daarmee gelijk aan de granieten uitbouw voor de gevel. Het dynamisch evenwicht, waarin S en E ten opzichte van elkaar staan, herhaalt de hoeken van de uitbouw en de zijgevel ten opzichte van de hoofdgevel. In dit samenspel tussen Escalade en het gebouw ligt een activiteit besloten, inderdaad als de bestorming van een vesting. De S-vorm is ontstaan uit de idee van een voluut, het gekrulde acanthusblad zoals dat voorkomt in een Corintisch kapiteel. De strakke E verschijnt in die samenhang als een architraaf, de draagbalk die op een reeks kapitelen ligt.

Samen staan ze voor de klassieke architectuur, als het symbool dat de functionele relatie tussen stut en last het zuiverst uitdrukt. Voor het gebouw is een Postmoderne vormentaal gebruikt, gebaseerd op de ontkenning van een functioneel vormgevoel. In dit kader geplaatst refereert het beeld Escalade aan de ruïne van een klassieke constructie. De vertikale en horizontale ordening in rust van kapiteel en architraaf is ingevallen. Het kapiteel is ten dele in de grond verzonken hetgeen het idee van ruïne onderschrijft. Gezien de samengebalde energie, die uit de torsie van de S spreekt, ligt een omgekeerde interpretatie echter meer voor de hand. Het is alsof de massa van de E-vorm door de S omhoog wordt gedrukt. Voor zo’n uitleg pleit ook de keuze van de materialen. De S is uitgevoerd in cortenstaal en de E in brons, een tegenstelling waarbij de roestbruine huid van het gecorrodeerde staal staat voor het aardse en het veranderlijke en het brons voor onthechte, klassieke principes. De huid van het brons vertoont echter een levendig oppervlak waaruit het maakproces is af te leiden. De sporen van de ongevormde massa was, waarvan de mal was gemaakt, zijn duidelijk zichtbaar gebleven. Zo komt in het materiaalgebruik van Escalade een analoge structuur van tegenstellingen aan het licht als de sets contrasten, die zich in de vorm en de plaatsing van het beeld laten achterhalen. Een tweedeling op alle niveaus, die zich niet eenduidig laat verklaren maar die keer op keer herleid kan worden tot een relationeel proces.

Bert Jansen 

over Kern

‘Kern’, een rondgang
Even schrap ik al mijn weten als ik naar het beeld kijk op het plein voor de glazen entreehal van het nieuwe stadhuis van Gieten. Het nodigt uit om naderbij te komen alsof ginds het verzamelpunt is voor een intensief gebruikt gebouw. Een enorme bronzen vorm met een eikenblad wuift me toe. Het beeld verandert langzaam van aanzicht als ik het nader en er dichtbij ga staan. De bronzen plak, waaruit het blad is weggesneden, leunt kwetsbaar tegen een stevige vorm, die lijkt op de essentie van een boom. Het lijkt of deze vormen elkaar hier op het juiste moment gevonden hebben. Het is alsof de kunstenaar de natuur onder een microscoop gelegd heeft, deze uit elkaar gehaald en weer opnieuw in elkaar gezet heeft. De monumentale boomstam voelt koud en korrelig aan maar oogt fluweelzacht in een warm roodbruin. Ik kijk nog eens omhoog naar de grillige contour van het eikenblad waaronder ik plaats heb genomen en denk te begrijpen hoe een bladluis zich voelt. De boomstam kan ik nu niet in zijn geheel overzien. In mijn blikveld bevindt zich de hoek waar de twee stalen wanden elkaar ontmoeten en waar ook het blad zijn steun vindt. Ik ga de roodbruine hoek om en word me bewust van de geplaveide cirkel waarop het beeld rust. Nu deze me niet meer omringt wordt de bronzen lijst weer blad en vult zich met groene omgeving. De ondersteunende boom wordt nu een geometrische vorm, een sokkel waar in andere tijden het eikenblad vanaf gevallen kan zijn. Ik loop vervolgens onder de “sokkel” door en zie het roodbruin boven mij van vorm veranderen. Het hoekige wordt nu rond en sensueel. Een contrast met de geometrie binnen één en dezelfde stalen vorm. Terwijl ik er verder omheen loop verdwijnt het transparante, getekende brons bijna helemaal achter de monumentale en massieve boom. De hoogte van 4,25 cm. verhindert dat. Soms vult het blad zich voor een deel met de stalen vorm en worden de twee één alsof het leunen en steunen samen komt. Dan weer lijkt het blad zich te willen losmaken van haar robuuste steunpilaar. Het is een voortdurend spel tussen twee elementen die elkaars tegenpolen lijken, maar elkaar nodig hebben om te kunnen existeren ten einde het spel met mij als toeschouwer te kunnen spelen.
Ik draai me nog eens om, om het geheel in me op te nemen. Het stadhuis speelt nu de hoofdrol in mijn vizier met het beeld op de centrale plek ervoor. Het valt op hoe harmonieus de architectuur en het beeld samenkomen. Ligt het aan de hellende daken in relatie tot het schuine leunen van het brons, ligt het aan de verwante bruine kleur van het cor-ten staal en de bakstenen, of aan het letterlijk open, transparante karakter van het beeld, zoals dat ook aanwezig is in de architectuur? Het blad en de boom, het gebouw en het beeld, het geheel in het landschap, ik zoom steeds verder uit en ervaar dat het één niet zonder het ander kan, dat er een harmonie ontstaat, een nieuwe ordening waar mijn ogen op blijven rusten vanwege dat enige moment van samenkomst tussen twee ogenschijnlijke opponenten, die voortdurend door een wisselend perspectief van betekenis lijken te veranderen.
De meeste beelden van Jos Willems bestaan uit twee vormen die in relatie tot elkaar gebracht worden en een spel met elkaar aangaan Die twee vormen hebben vaak ieder hun eigen materialiteit, zoals bijvoorbeeld cor-ten staal tegenover brons, en lijken tegengesteld in vorm; zoals rond en organisch tegenover hoekig en architectonisch. De beelden hebben een monumentale heldere uitstraling, waardoor zij een rustpunt vormen in de hectiek van de openbare ruimte. Zij lijken uitvergrote abstracte stillevens of tekens die diverse associaties op kunnen roepen vanuit de verschillende standpunten die men in kan nemen. Het lijkt of Willems in zoomt op een stukje zichtbare werkelijkheid, die afpelt tot een universele kern, en weer op uitvergrote schaal in elkaar zet zodat ook de toeschouwer kan inzoomen. Hoewel de beelden kunnen verwijzen naar een figuratieve werkelijkheid, verwijzen zij ook naar zichzelf in de nieuwe vorm die zij in de context van de openbare ruimte hebben gekregen.
Opmerkelijk is dat in Willems’ latere werk de ruimte in de vorm een meer bepalende rol gaat spelen zoals dat bij het beeld “Kern” het duidelijkst is. De omgeving maakt in dit geval het beeld af. Soms lijkt het negatief van de grillige bladvorm slechts als vorm zichtbaar. Het blad zelf, één van de hoofdrolspelers, is afwezig en wordt ruimte. Juist de afwezigheid van de vorm benadrukt haar aanwezigheid. De twee vormen in het beeld worden nu in staat gesteld volledig in elkaar op te gaan, door de ruimte van het afwezige blad. Misschien gaat het in dit geval niet meer om twee vormen die een dialoog met elkaar aangaan, maar is er een derde in het spel gekomen; die van de vorm in de vorm, het negatief wat positief wordt en andersom.
Monique Broekman